Kustduinen zijn door wind afgezet op mariene lagen van zand en klei. In het duinmassief en de onderliggende afzettingen bevindt zich zoet grondwater dat met neerslagwater wordt aangevuld. Door de lagere dichtheid drijft het als een zoetwaterbel op zout grondwater. In het duinmassief komen valleien voor die ontstaan zijn door afsnoering van strandvlaktes of door uitstuiving. Aan de randen van een duinmassief liggen duinvalleien met sterke kwel van dieper grondwater, wat een relatief geringe dynamiek van de grondwaterstand geeft. Kwelstromen en infiltratiepatronen beïnvloeden de basenrijkdom en voedselrijkdom in de bodem en bepalen daardoor in zulke situaties de ruimtelijke rangschikking van verschillende vegetatietypen. Verlaging van de grondwaterstand door grondwateronttrekking, kustafslag, ontwatering van de binnenduinrand en achterliggende polders én de toegenomen verdamping door de aanplant van bos, vormt de belangrijkste bedreiging. Dit resulteert ook in het wegvallen van de kweldruk, waardoor verzuring kan optreden. Daarnaast kan infiltratie van rivierwater leiden tot eutrofiering en zodoende ook een bedreiging vormen voor soortenrijke duinsystemen.

Kenmerkende soorten zijn: rugstreeppad, boomkikker (Zeeuws-Vlaanderen), zwervende pantserjuffer, tengere pantserjuffer, bruine winterjuffer, vroege glazenmaker, glassnijder, zwervende heidelibel, gevlekte witsnuitlibel, watervleermuis, waterspitsmuis (lokaal), stijve moerasweegbree, weegbreefonteinkruid, draadfonteinkruid, zilte waterranonkel, oeverkruid, veelstengelige waterbies, teer guichelheil, drienervige zegge en knopbies.

Klik hier voor informatie over de aanleg van wateren in de kustduinen Klik hier voor informatie over het beheer van wateren in de kustduinen