Herstel van vennen op zandgronden

Periode van herstel 

  • De beste periode om venherstel uit te voeren (zowel in het water als op de oever) is tussen begin september en half oktober. In deze periode is de temperatuur ook nog voldoende hoog en zijn veel soorten nog actief waardoor zij zich bij verstoring nog kunnen verplaatsen. ’s Winters is dat niet het geval voor bijvoorbeeld amfibieën en insecten. Met eventueel aanwezige doelsoorten en/of beschermde soorten dient te allen tijden rekening te worden gehouden.

Locatiekeuze

  • Voor het opnieuw uitgraven van vennen is men uiteraard afhankelijk van de ligging van ‘verdwenen’ vennen. Het bestuderen van oude landkaarten van de zandgronden kan daarbij als uitgangspunt dienen. Vervolgens kunnen de oude venprofielen worden achterhaald door bijvoorbeeld grondboringen.
  • Vennen die in aanmerking komen voor een opschoningsoperatie (sliblaag verwijderen) zijn met name de vennen waarbij het contact met (lokaal) grondwater nog intact is, hersteld is of op korte termijn hersteld kan worden. Hierbij gaat het vooral om vennen die zich tot een (zeer) zwak gebufferd ven dienen te ontwikkelen. Wanneer enige buffering door grondwater (of oppervlaktewater of bekalking van het inzijggebied) na herstel niet kan worden gegarandeerd, zal het ven snel weer verzuren. 
  • Selecteer locaties die zich nabij andere vennen bevinden. Kolonisatie van nieuwe vennen hangt voor veel soorten nauw samen met de afstand tot andere geschikte leefgebieden. Venclustering kan bijdragen aan duurzame (meta)populaties (zie Vierfasenstrategie). Volstrekt geïsoleerde vennen zullen alleen door (zeer) mobiele soorten gekoloniseerd kunnen worden. 
  • Selecteer locaties met een reële potentie voor succesvol herstel. Verdwenen vennen in natuurgebieden (m.n. heideterreinen) en extensief beheerde terreinen zijn kansrijk, maar die in intensief landbouwgebied minder. Met fosfaat opgeladen bodems zijn voor het herstel van voedselarme vennen ongeschikt en vooronderzoek hiernaar is daarom noodzakelijk. Slechts wanneer intensief beheerde (voedselrijke) landbouwgronden worden aangekocht en er rigoureuze maatregelen, zoals het afgraven van de bouwvoor, getroffen kunnen worden, is venherstel mogelijk. Mits een goede zaadbank wordt bloot gelegd, kan venherstel in intensief agrarisch terrein vanuit floristisch oogpunt ook interessant zijn (m.n. voor pioniersoorten), vooral in de beginfase. 
  • Venherstel dient in open terrein plaats te vinden teneinde veel zoninval te verkrijgen. Tenminste 50 % van de dag moet het ven in de zon liggen. Wanneer veel bomen te dicht op de oever groeien moeten deze (deels) worden verwijderd.
  • Let op de aanwezigheid van (of ontwikkelingskansen voor) geschikt landhabitat met structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruidenvegetaties en moeras. 
  • Voor minder mobiele soorten zoals reptielen en amfibieën is het van belang dat er geen onoverkomelijke barrières (drukke wegen, bebouwing of brede watergangen) tussen water- en landhabitat liggen. 
  • Selecteer locaties waar kolonisatie door vis onwaarschijnlijk is. Veel Brabantse vennen zijn door Amerikaanse hondsvis bezet en venherstel dient dan ook op grotere afstand van dergelijke locaties plaats te vinden. Met name voor amfibieën kan de aanwezigheid van vis zeer nadelig zijn. Zeer predatieve soorten zoals zonnebaars zijn daarnaast ook voor insecten zeer nadelig.

Hoe? 

  • Veel verdwenen vennen zijn gedempt met zwarte grond. Bij het opnieuw uitgraven van een verdwenen ven dient deze laag te worden verwijderd tot de venbodem (zandkleur) is bereikt. Belangrijk is op eventueel aanwezige leem- of gyttjalagen te letten. Gyttjalagen zijn donkere, vettige, waterkerende lagen die vaak het begin van veenvorming/verlanding aanduiden. Het kan zeer wenselijk zijn deze lagen te behouden.
  • Het verwijderen van de sliblaag moet 'met beleid’ gebeuren. Wees voorzichtig met waardevolle delen in de oever- en verlandingsvegetatie, spaar deze zoveel mogelijk. Indien mogelijk, faseer de opschoning over meerdere jaren. Voor vennen waarin nog restpopulaties van doelsoorten voorkomen is dit meer van belang dan voor vennen waar alle zeldzame soorten al verdwenen zijn. Hier is dus wel afdoende kennis voor nodig! Wanneer er een vencluster aanwezig is, verdient het aanbeveling om niet alle vennen gelijktijdig te schonen, maar ieder ven op een ander tijdstip. Op deze manier blijven verschillende successiestadia binnen een gebied aanwezig.
  • Het is belangrijk om bij het verwijderen van slib niet te diep te werken, anders bestaat het risico dat waterdichte lagen in de bodem worden beschadigd en de zaadbank wordt verwijderd. Het achterlaten van een klein beetje slib (‘slordig werken’) kan zorgen voor een beetje buffering, zodat het ven niet direct verzuurt.
  • Ook voor het plaggen en verwijderen van oevervegetatie geldt: werk gefaseerd en spaar waardevolle vegetatiestructuren. Daaronder valt ook oude, structuurrijke vergraste heide met veel pijpenstro! Wees bij plaggen ook voorzichtig met de diepte van de zaadbank.
  • Zorg voor ecologische begeleiding bij de uitvoering van het werk. Doordat de uitvoering van het herstel door derden wordt uitgevoerd, is er vaak geen relevante kennis over venherstel aanwezig. Om zorg te dragen dat bijvoorbeeld geen waterkerende lagen worden afgegraven of waardevolle vegetaties worden beschadigd, is het verstandig om een ter zake deskundig persoon aanwezig te hebben.
  • Kappen van bomen is vooral effectief wanneer dit op strategisch gekozen locaties plaatsvindt. Het kappen van naaldbos, soms zelfs ver van het ven, kan nuttig zijn in het inzijggebied van het grondwater waarmee het ven in contact staat. Hierdoor kan aanzienlijk meer bufferend water het ven bereiken en wordt verdroging bestreden. Dichter bij de oever zijn vooral bomen die over het water hangen (bladval) en bomen aan de zuidkant (schaduw) belangrijk om te kappen. Enkele solitaire bomen en struiken kunnen nabij de oever blijven staan, omdat zij een schuil- en uitkijkplaats bieden voor verschillende dieren. Verder kan het nuttig zijn om corridors te kappen tussen verschillende vennen, om uitwisseling van soorten te vergemakkelijken.