Een gezond ven met een goed functionerende hydrologie is een stabiel systeem, dat in principe weinig onderhoud nodig heeft. Alleen het verwijderen van houtopslag blijft dan een aandachtspunt voor het beheer.

In sommige (relatief voedselrijke) vennen kan het wenselijk zijn om een deel van de moerasvegetatie gefaseerd te verwijderen, omdat het ven anders te ver dichtgroeit. Dit geldt niet voor voedselarmere vennen die bijvoorbeeld geheel dichtgroeien met veenmossen, snavelzegge en dergelijke! Deze vennen dienen met rust gelaten te worden, tenzij bepaalde soorten afhankelijk zijn van desbetreffend water voor bijvoorbeeld hun voortplanting (heikikker). In een dergelijk geval kan er voor worden gekozen om een deel van het ven open te houden zodat het (plaatselijk) voortbestaan van dergelijke soorten niet in gevaar komt.

Rondom vennen die zich in (grazige) vegetaties bevinden die met enige regelmaat gemaaid worden, dient een strook van tenminste 5 meter om het ven te worden ontzien. Deze strook biedt fauna een rustplaats (dekking) en foerageerplaats. Op plaatsen waar maaien onnodig is, zoals in heideterreinen met dopheide, struikheide en pijpenstrootje, moet beslist niet worden gemaaid.

Periode

  • De beste periode om beheermaatregelen uit te voeren, is tussen begin september en half oktober. In die periode zijn er nog weinig amfibieën in het water aanwezig. Libellen daarentegen zijn het gehele jaar door aanwezig en daar is dus geen “veilige” periode voor te geven. In deze periode is de temperatuur ook nog voldoende hoog en zijn veel soorten nog actief waardoor zij zich bij verstoring mogelijk nog kunnen verplaatsen. Het maaien van oevers kan ook in deze periode worden uitgevoerd en het verwijderen van bomen en struiken kan de gehele winter plaatsvinden.

Frequentie

  • Voor voedselrijke vennen waarbij het wenselijk is om een deel open water te behouden, geldt dat de verlandingsvegetatie gefaseerd kan worden verwijderd. Hoewel iedere situatie voor zichzelf zal moeten uitwijzen met welke interval schoning gewenst is, zal dit naar schatting eens in de 3-5 jaar zijn.
  • Het verwijderen van opslag dient alleen plaats te vinden wanneer dit ook echt nodig is. De aanwezigheid van enige struikvormers en enkele bomen is vaak gunstig, omdat zij rust- en uitkijkplaatsen voor vogels en insecten bieden en schuilplaatsen voor tal van andere dieren. Wanneer er een grote schaduwwerking op het ven ontstaat, of grote bladinval, is het nodig de opslag te verwijderen.

Hoe?

  • Werk zoveel mogelijk handmatig (diverse vrijwilligersgroepen houden zich hiermee bezig) of met licht materiaal, teneinde de oevervegetatie en verlandingszone van het ven zo min mogelijk te beschadigen.
  • Venoevers die veel betreed worden door vee, recreanten, honden, enz. kunnen worden uitgerasterd ter bescherming van de oevervegetatie en ter voorkoming van eutrofiëring (met name bij runderen). 
  • Ontzie waardevolle delen zoals verlandingsvegetaties. Floristisch weinig bijzondere verlandingssituaties met bijvoorbeeld fonteinkruiden, waterdrieblad, zeggen, riet, lisdodde en gagel kunnen faunistisch gezien zeer interessant zijn. Door kleinschalig en gefaseerd te schonen, worden verschillende successiestadia binnen een ven behouden.

Bij begrazing met runderen kan het beter zijn om het ven uit te rasteren; runderen kunnen het ven verrijken met hun ontlasting. Bij grote terreinen met meerdere poelen is het niet nodig om alle wateren uit te rasteren. Bij extensieve begrazing met paarden kan uitrastering eventueel achterwege blijven omdat paarden zich niet ontlasten in de poel maar daarvoor vaste latrines op het land gebruiken. Kies bij meerdere wateren voor variatie: enkele wateren uitrasteren, andere wateren niet of gedeeltelijk uitrasteren.