Vennen op zandgronden

Vennen zijn in de meeste gevallen vrij kleine en ondiepe natuurlijke oppervlaktewateren, liggend in depressies in het dekzandgebied of aan de randen van dekzanden. Ze zijn meestal ontstaan door uitstuiving of glaciale invloeden. Daarnaast krijgen sommige kunstmatig gecreëerde oppervlaktewateren na verloop van tijd ook het karakter van een ven. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige poelen, ondiepe zandafgravingen, visvijvers en ijsbaantjes. In veel gevallen liggen meerdere vennen bij elkaar (vencomplexen) in een gebied dat verder grotendeels bestaat uit heide en bos.

Vennen worden grotendeels door regenwater gevoed, waardoor ze een zuur karakter hebben. Sommige vennen hebben echter (periodiek) contact met grond- of oppervlaktewater, wat voor een zekere mate van buffering zorgt. Afhankelijk van de plaats in het landschap en de hydrologische situatie kunnen vennen zodoende onderverdeeld worden in (van nature) zure vennen, zeer zwak gebufferde vennen en zwak gebufferde vennen. Ieder van deze typen heeft zijn karakteristieke vegetatie en fauna. De vegetaties van zure en zeer zwak gebufferde vennen vertonen overeenkomsten met die van hoogveenwateren en soms vindt hier daadwerkelijk hoogveenvorming plaats. De vegetatie van sterker gebufferde vennen vertoont overeenkomsten met de vegetatie in laagveenwateren.

Op veel plaatsen in Nederland zijn vennen door ontginning verdwenen. Bovendien zijn de meeste vennen in het verleden sterk verzuurd, vermest en/of verdroogd; processen die elkaar versterken. Door de natuurlijke ontstaanswijze kan niet over de aanleg van vennen worden gesproken, tenzij in sporadische gevallen een gedempt ven opnieuw kan worden uitgegraven. Omdat verzuring en vermesting van het milieu de laatste jaren sterk is afgenomen, zijn er wel kansen voor het herstellen van nog bestaande vennen. De opgehoopte sliblaag op de bodem verhindert vaak dat vennen weer een positieve ontwikkeling kunnen inzetten. Deze sliblaag dient dan te worden verwijderd. Deze kostbare opschoningsoperaties zijn echter alleen zinvol wanneer aan de juiste ecohydrologische randvoorwaarden kan worden voldaan (met name voldoende contact met (lokaal) grondwater). Dit vergt in veel gevallen een gedegen vooronderzoek. Naast ingrijpende maatregelen in het ven zelf, zijn vaak ook enkele beheermaatregelen op de oever zinvol, zoals het verwijderen van bosopslag en het plaggen van delen van de oever. In principe hebben vennen een veel minder frequent beheer nodig dan poelen of andere kleine wateren.

Karakteristieke soorten zijn: speerwaterjuffer, maanwaterjuffer, noordse glazenmaker, gevlekte witsnuitlibel, venwitsnuitlibel, oostelijke witsnuitlibel, watervleermuis en ruige dwergvleermuis, oeverkruid, knolrus, veelstengelige waterbies, waterlobelia, moerashertshooi, grote- en kleine biesvaren, kruipende moerasweegbree, drijvende- en kleinste egelskop, witte waterranonkel, vlottende bies, ondergedoken moerasscherm en pilvaren.

Klik hier voor informatie over het herstel van wateren op zandgronden Klik hier voor informatie over het beheer van wateren op zandgronden