Hoogveen is vooral in Drenthe, Oost-Nederland, Noord-Brabant en het zuidoosten van Groningen aanwezig. Het zijn voedselarme milieus die voornamelijk door neerslagwater worden gevoed. In een onaangetast hoogveen bestaat de vegetatie grotendeels uit veenmossen (Sphagnum spec.), Cypergrassen (Cyperaceae) en heideachtigen (Ericaceae). Veenmos voorziet in zijn stikstofbehoefte door ammonium (NH4+) op te nemen. Bij deze opname worden de ammonium-ionen uitgewisseld tegen protonen (H+), hetgeen een verzuring van het milieu tot gevolg heeft. De zure omstandigheden vertragen de afbraak van organische stof en bevorderen zo de aangroei van het veen.

Veenputten zijn ontstaan door het afgraven van hoogveen. De grootte kan variëren van enkele vierkante meters tot enkele hectaren. Door de ligging in hoogveen zijn de wateren vaak zuur, waardoor zij vooral geschikt zijn voor zuurtolerante planten en dieren. Vooral de verschillende verlandingsstadia tussen open water en hoogveen, zijn van belang voor flora en fauna. Tegenwoordig is het ondenkbaar om in hoogveen grote veenputten aan te leggen. Het creëren van kleine veenputjes is echter wel mogelijk. Men dient zich wel te realiseren dat in hoogvenen uitsluitend zuurdere wateren aanwezig kunnen zijn. Indien stimuleringsmaatregelen voor niet-zuurtolerante soorten nodig zijn, dient te worden uitgeweken naar de randzone van het hoogveen of zelfs daarbuiten. Voor echte hoogveenspecialisten zoals hoogveenglanslibel, heikikker en poelkikker vormen niet al te zure veenputten een geschikt voortplantingshabitat.

Vrijwel intacte hoogvenen behoeven nauwelijks beheer. Echter, in Nederland zijn de grote hoogveencomplexen grotendeels afgegraven voor de turfwinning en ontgonnen voor de landbouw. Vrijwel alle overgebleven restanten zijn ernstig aangetast. Open water in de vorm van zogenaamde meerstallen zijn uiterst zeldzaam. Op slechts enkele plaatsen komt nog levend hoogveen voor. Verdroging, vermesting, verbossing en vergrassing hebben geleid tot een verminderde biodiversiteit. Beheeringrepen zijn nodig om deze weer te herstellen. Veel aandacht gaat recentelijk uit naar het herstellen van de waterhuishouding. Door het neerslagoverschot zoveel mogelijk in het gebied vast te houden, probeert men de verdroging te beperken.

Pingo’s zijn gedurende de laatste ijstijd ontstaan in gebieden met een permanent bevroren ondergrond (permafrost). Onder bepaalde omstandigheden werden er in de bodem “ijslenzen” gevormd. Hierbij wordt de bovengrond omhoog gedrukt zodat er een ronde heuvel met een ijskern ontstaat (pingo). Bij het weer warmer worden van het klimaat smelt de ijslens en blijft er een ronde depressie over, veelal omgeven door een ringwal; een pingoruïne. In het huidige landschap zijn ze te herkennen als kleine ronde vennetjes of veentjes. Veel door veengroei verlande pingoruïnes zijn door het afgraven van het veen weer in water veranderd. In Nederland bevinden pingoruïnes zich in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Noord-Brabant. Omdat pingoruïnes niet kunnen worden aangelegd, is hier alleen het beheer van toepassing.

Karakteristieke soorten zijn: heikikker, poelkikker, adder, gladde slang, speerwaterjuffer, maanwaterjuffer, noordse glazenmaker, hoogveenglanslibel, venwitsnuitlibel, waterspitsmuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis, moeraswolfsklauw, ronde zonnedauw, lavendelheide en kleine veenbes.

Klik hier voor informatie over de aanleg van wateren in hoogveen en pingoruïnes Klik hier voor informatie over het beheer van wateren in hoogveen en pingoruïnes