Aanleg van petgaten/plassen in laagveen

Periode van aanleg

  • Leg een petgat aan in augustus of september op zeer nat en ontoegankelijk terrein of kies, in verband met verstoring van voorkomende fauna, voor de winterperiode. Wanneer een petgat in zeer open terrein wordt aangelegd, kan ook voor de winterperiode worden gekozen. Gedurende deze tijd is een aantal soorten in winterrust. Door het gebrek aan beschutting in zeer open terrein zullen deze soorten zeer waarschijnlijk elders overwinteren, waardoor de kans klein is dat zij slachtoffer worden bij grondverzet.

Locatiekeuze

  • Kies een rustig gelegen plaats; niet in de buurt van wegen (i.v.m. verkeersslachtoffers en inspoeling van olie en pekel), ook liever niet in de directe omgeving van woonwijken of drukke recreatieterreinen in verband met het laten zwemmen van honden en het uitzetten of loslaten van ongewenste (uitheemse) soorten dieren en planten.
  • Selecteer geen locatie in bouwland of intensief gebruikt grasland. Bij aanleg moet ook de garantie bestaan dat grasland rond het petgat niet wordt omgezet in bouwland en dat geen kunst- of drijfmest wordt gebruikt.
  • Selecteer een locatie met een stabiele waterstand. Voor de overleving van libellen zoals de groene glazenmaker is permanent waterhoudend zijn van groot belang. In veenweidegebieden is dit temeer belangrijk, omdat bij droogval de afbraak van het veen op gang komt en dit tot bodemdaling en eutrofiëring leidt.
  • Selecteer locaties die zich nabij andere kleine wateren bevinden, of waar meerdere nieuwe wateren kunnen worden aangelegd. Kolonisatie van nieuwe wateren hangt voor veel soorten nauw samen met de afstand tot andere geschikte leefgebieden. Clustering van petgaten kan bijdragen aan duurzame (meta)populaties (zie Vierfasenstrategie). Sterk geïsoleerde wateren zullen alleen door zeer mobiele soorten gekoloniseerd kunnen worden.
  • Selecteer een locatie in open terrein teneinde veel zoninval te verkrijgen. Tenminste 50 % van de dag moet het petgat in de zon liggen.
  • Selecteer een locatie met veel ruimte, zodat meerdere petgaten kunnen worden aangelegd en de oevers geleidelijk kunnen oplopen. Tevens biedt dit mogelijkheden om een brede ruigtestrook rondom het petgat te handhaven. Dergelijke structuurrijke vegetaties zijn van grote waarde voor amfibieën, reptielen, zoogdieren en vele insecten.
  • Selecteer locaties in de buurt van geschikt landhabitat met structuurrijke of opgaande vegetatie zoals bos, houtwallen, struweel, ruigtekruidenvegetaties en moeras. Voor amfibieën bedraagt deze afstand maximaal 200-400 meter.
  • Selecteer geen locatie waar het petgat onder bomen komt te liggen. Invallend blad kan tijdens rotting leiden tot zuurstofgebrek in de winter, gevolgd door amfibieënsterfte.
  • Vermijd barrières tussen water- en landhabitat. Voor minder mobiele soorten zoals reptielen en amfibieën is het van belang dat er geen onoverkomelijke barrières (drukke wegen, bebouwing of brede, beschoeide watergangen) tussen water- en landhabitat liggen.
  • Zie hier een schematische weergave voor de locatiekeuze

Hoe aanleggen?

  • Zorg voor geleidelijk/flauw oplopende oevers, vooral onder water. De hellingshoek van de oever dient bij voorkeur 1:10 te zijn. Hierdoor ontstaat een gradiënt die voor verschillende plantensoorten een groeiplaats biedt en waardoor een geleidelijke verlandingszone ontstaat. Door de flauwte van de oever ontstaat tevens een groot oppervlak ondiep water dat snel opwarmt. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van koudbloedigen (amfibieën en waterinsecten). Bij ruimtegebrek dient in ieder geval de noordoever zo geleidelijk mogelijk op te lopen, omdat dit de meest zonbeschenen oever is.
  • Maak wateren niet te klein, omdat anders een intensief beheer nodig is. Wanneer meerdere wateren kunnen worden aangelegd is het goed om in grootte te variëren.
  • Verwerk de uitgegraven grond (of een deel daarvan) bij voorkeur aan de noordkant van het petgat. Hierdoor ontstaat een zonnige zuidhelling met een gunstig microklimaat voor reptielen en veel insecten. Zorg dat een ruime noordoever vrij wordt gehouden van deze wal, zodat zich hier oeverplanten kunnen vestigen. Indien mogelijk, wordt onderop de wal een laag stamhout en boomstobben aangebracht zodat holtes ontstaan die door dieren gebruikt kunnen worden. Soms is een grondwal landschappelijk ongewenst of is de grond te voedselrijk. In zo’n geval dient de grond te worden afgevoerd.
  • Zorg er binnen een laagveengebied voor dat er zowel geïsoleerd liggende petgaten aanwezig zijn als petgaten die op een slotensysteem zijn aangesloten. De geïsoleerde petgaten zijn bijvoorbeeld voor amfibieën zeer geschikt, omdat vissen dergelijke petgaten niet eenvoudig kunnen bereiken. De petgaten die in open verbinding staan met sloten, zijn voor andere organismen zoals de gestreepte waterroofkever interessant. De connectiviteit lijkt voor deze soort juist van groot belang voor haar verspreiding. Wanneer verbinding met sloten voor bepaalde soorten wenselijk wordt geacht, moet men er zeker van zijn dat de sloten niet drainerend werken en dat zij een goede waterkwaliteit hebben.
  • Zorg voor petgaten die vooral bedoeld zijn voor libellen (groene glazenmaker en donkere waterjuffer), dat zij permanent waterhoudend zijn en dus voldoende diep op plaatsen met een niet constant grondwaterpeil. Voor amfibieën is het geen probleem wanneer een voortplantingswater in de nazomer droogvalt, omdat vis zich dan niet permanent kan vestigen. Wanneer het doel van de ingrepen zowel libellen als amfibieën betreft, vormt het aanleggen van verschillende (diepe en ondiepe) petgaten een geschikte mogelijkheid.
  • Het aanleggen van vochtige laagtes door het zeer ondiep uitgraven van terreindelen (bijvoorbeeld afplaggen van verruigd rietland), kan voor een aantal soorten zeer positief zijn. De ontstane plassen en plas-dras situaties kunnen zeer geschikt voortplantingswater vormen voor bijvoorbeeld heikikkers.

Binnen het project ‘Oases van biodiversiteit’ is in de Krimpenerwaard een nieuw petgat aangelegd en is een tweede petgat uitgebreid met een ondiepe verlandingszone. Ook hebben verschillende sloten een flauwer profiel gekregen, waardoor verlanding meer kans krijgt.