Laagveen ontstaat in natte laagten in het landschap die worden gevoed door grondwater of oppervlaktewater. In deze laagten hopen afgestorven plantenresten zich op, omdat zij door het gebrek aan zuurstof onder water niet verteren. Zo ontstaat na verloop van vele jaren een veenpakket. Dit veen werd vroeger op veel plaatsen gewonnen, gedroogd en als brandstof (turf) gebruikt, waardoor grote plassen en kleinere petgaten en sloten ontstonden. Met name petgaten en sloten kunnen weer dichtgroeien met moerasplanten (verlanding). De meeste huidige laagveennatuurgebieden in Nederland zijn voormalige turfwingebieden. Nadat de turfwinning stopte, zijn zij in gebruik genomen voor de landbouw, of hebben zij zich ontwikkeld tot soortenrijke gebieden voor zowel flora als fauna. Verlanding van sloten en petgaten vindt hoofdzakelijk plaats via kraggevorming. Kraggen zijn drijvende plantenmatten en plantenresten. Via worteluitlopers breiden zij zich steeds verder uit over het wateroppervlak. Wanneer de verlanding verder doorgaat verandert het hele water in veenmoeras en uiteindelijk in moerasbos. Met name de eerste verlandingsstadia met kraggevorming zijn van grote waarde voor aquatische flora en fauna. Tegenwoordig zijn goed ontwikkelde verlandingsvegetaties schaars geworden, door verschillende oorzaken. Een zeer belangrijke reden van achteruitgang is de slechte waterkwaliteit als gevolg van verdroging en afname van kweldruk. De inlaat van gebiedsvreemd voedselrijk en hard (rivier)water versterkt dit effect nog meer, waardoor zowel interne als externe eutrofiëring optreedt. In het laagveenpolderlandschap zijn verlandingsvegetaties vaak vrijwel afwezig. Naast bovengenoemde oorzaken, ligt hieraan ook de zeer hoge frequentie en de intensieve aard van schonen ten grondslag. In het veenweidepolderlandschap bestaan de wateren meestal uitsluitend uit sloten. Een ander probleem bij laagveengebieden vormt de inklinking van de bodem als gevolg van verlaging van, of schommelingen in het grondwaterpeil. Het (tijdelijk) droogvallen van het laagveen leidt tot afbraak van het veen, waardoor eutrofiëring optreedt. Om tot laagveenherstel te komen, is herstel van natuurlijke kwelstromen en het conserveren van gebiedseigen water noodzakelijk. Daarnaast geldt dat voor sloten een minder intensieve en gefaseerde schoning nodig is, om verlandingsvegetaties een kans te geven zich te ontwikkelen.

Karakteristieke soorten zijn: ringslang, heikikker, noordse winterjuffer, donkere waterjuffer, groene glazenmaker, gevlekte witsnuitlibel, grote vuurvlinder, zilveren maan, gestreepte waterroofkever, waterspitsmuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis, krabbenscheer, kikkerbeet, waterdrieblad, wateraardbei, gewoon blaasjeskruid, kransvederkruid, moeraswederik en slangenwortel.

Klik hier voor informatie over de aanleg van wateren in laagveen Klik hier voor informatie over het beheer van wateren in laagveen