Aanleg kleine stilstaande wateren (algemeen)

Locatiekeuze 

  • Selecteer een rustig gelegen plaats; niet in de buurt van wegen (i.v.m. verkeersslachtoffers en inspoeling van olie en pekel), ook liever niet in de directe omgeving van woonwijken of drukke recreatieterreinen in verband met het laten zwemmen van honden en het uitzetten of loslaten van ongewenste (uitheemse) soorten planten en dieren.
  • Selecteer geen locaties in intensief agrarisch gebied, maar juist in natuurgebieden of extensief beheerde terreinen, waaronder het kleinschalig agrarische landschap.
  • Selecteer geen locatie in bouwland of intensief gebruikt grasland. Bij aanleg moet ook de garantie bestaan dat de directe omgeving (mimimaal in een straal van 100 meter) niet wordt omgezet in bouwland en dat geen kunst- of drijfmest wordt gebruikt.
  • Selecteer locaties die zich nabij andere kleine wateren bevinden. Kolonisatie van nieuwe wateren hangt voor veel soorten nauw samen met de afstand tot andere geschikte leefgebieden. Clustering van kleine stilstaande wateren kan bijdragen aan duurzame (meta)populaties (zie Vierfasenstrategie). Volstrekt geïsoleerde wateren zullen alleen door zeer mobiele soorten gekoloniseerd kunnen worden.
  • Selecteer een locatie met veel ruimte, zodat meerdere wateren kunnen worden aangelegd en de oevers geleidelijk kunnen oplopen. Tevens biedt dit mogelijkheden om een brede ruigtestrook rondom het water te handhaven. Dergelijke structuurrijke vegetaties zijn van grote waarde voor amfibieën, reptielen, zoogdieren en vele insecten.
  • Selecteer een locatie in open terrein teneinde veel zoninval te verkrijgen. Tenminste 50 % van de dag moet het water in de zon liggen.
  • Selecteer geen locatie waar de poel onder bomen komt te liggen. Invallend blad kan door rottingsverschijnselen leiden tot zuurstofgebrek in de winter en zorgt voor een snellere verlanding.
  • Selecteer locaties in de buurt van geschikt landhabitat met structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruidenvegetaties en moeras. Voor amfibieën bedraagt deze afstand maximaal 200-400 meter.
  • Voor minder mobiele soorten zoals reptielen en amfibieën is het van belang dat er geen onoverkomelijke barrières (drukke wegen, bebouwing of brede watergangen) tussen water- en landhabitat liggen.
  • Selecteer locaties waar kolonisatie door vis onwaarschijnlijk is. Met name voor amfibieën is de aanwezigheid van vis zeer nadelig. Veel Brabantse vennen zijn door Amerikaanse hondsvis bezet en venherstel dient dan ook op grotere afstand van dergelijke locaties plaats te vinden. Zeer predatieve soorten zoals zonnebaars zijn daarnaast ook voor insecten zeer nadelig.
  • Zie hier een schematische weergave voor de locatiekeuze

Hoe?

  • Zorg voor flauw oplopende oevers, vooral onder water. De hellingshoek van de oever dient bij voorkeur 1:10 te zijn. Hierdoor ontstaat een gradiënt die aan verschillende plantensoorten een groeiplaats biedt, waardoor een geleidelijke verlandingszone ontstaat. Door de flauwte van de oever ontstaat tevens een grote oppervlakte ondiep water dat snel opwarmt. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van koudbloedigen (amfibieën en waterinsecten). Bij ruimtegebrek dient in ieder geval de noordoever zo geleidelijk mogelijk op te lopen, omdat dit de meest zonbeschenen oever is.
  • Maak wateren niet te klein en zorg voor een wateroppervlak van 20-30 meter in doorsnede. Kleine wateren (∅<10 meter) verlanden sneller en moeten dus vaker worden geschoond. Wanneer meerdere wateren kunnen worden aangelegd is het goed om in grootte te variëren
  • Verwerk de uitgegraven grond (of een deel daarvan) bij voorkeur aan de noordkant van het water. Hierdoor ontstaat een zonnige zuidwal met een gunstig microklimaat voor reptielen en veel insecten. Zorg dat een ruime noordoever vrij wordt gehouden van deze wal, zodat zich hier oeverplanten kunnen vestigen. Soms is een grondwal landschappelijk ongewenst of is de grond te voedselrijk. In zo’n geval dient de grond te worden afgevoerd. Zorg er te allen tijde voor dat poelen geïsoleerd blijven van slotensystemen, rivieren of beken. Juist de geïsoleerde ligging zorgt voor gunstige omstandigheden voor verschillende soorten. Zodoende kunnen vissen de poelen niet bereiken en hun afwezigheid is gunstig voor bijvoorbeeld amfibieën.
  • Zorg met het oog op libellen dat poelen permanent waterhoudend zijn. Voor amfibieën daarentegen kan het geen kwaad als een voortplantingswater eens in de zoveel tijd, bij voorkeur in de nazomer, droogvalt. Voorkom wel dat een water jaarlijks al vroegtijdig (voor eind juli) droogvalt. Variatie in de diepte van verschillende wateren in een gebied, kan er voor zorgen dat allerlei diergroepen een geschikte plek kunnen vinden.